Van palmleer tot waterstofballon

Van palmleer tot waterstofballon

Van palmleer tot waterstofballon

In de maakindustrie gaat het niet altijd over grote aantallen en alledaagse producten. Ontwerper Tjeerd Veenhoven weet er alles van.

Zijn atelier is voor de buitenstaander een chaos en alleen voor Tjeerd Veenhoven is het klip en klaar dat hier de maakindustrie begint. „Ik denk bij het ontwerp al een het maakproces”, klinkt het uit de mond van de Groningse ontwerper, „want ik ontwerp altijd een waardeketen. Er is vooraf ook al een klant. Want iemand moet het toch kopen? Anders zou ik onder een kaasstolp leven.”

Hersenspinsels

Wat Veenhoven ook bedenkt, hij heeft vooraf al zicht op de markt die hij wil bedienen. En dat moeten er heel wat markten zijn als je rondkijkt in zijn atelier, waar de eigenaar hoogst waarschijnlijk als enige weet waar te zoeken. Stroken biolaminaat, slippers, mosselschelpen, een cap van hout, aquaria met algen, papieren ballonnen. Chaos of een bron van fraaie hersenspinsels? Het laatste, absoluut. Veenhoven experimenteert met van algen gemaakt textiel (hij won er de Global Change Award van H&M mee), hij heeft ‘palmleer’ (gedroogde en bewerkte palmbladeren) uitgevonden en verkoopt palmleren slippers aan O’Neill, bedacht een duurzaam vloerlaminaat met bijvoorbeeld uienschillen en werkt nu aan de eeuwig zwevende ballon.

„Het bijna zwaarste element, goud, wordt in ambachtelijk geslagen bladgoud (heel dun) op de papieren ballon aangebracht die daarna wordt gevuld met waterstof, het lichtste element”, omschrijft hij zijn opdracht. ‘Floating of Infinity’ heet het project. Veenhoven bedenkt bijzondere en bovenal natuurlijke en duurzame materialen in nieuwe toepassingen. „En ik zoek daarbij naar maximale verwaarding.” Neem veenmos. Hij onderzoekt de eigenschappen en een van daarvan is het immense absorptievermogen. Dus een luier van veenmos is nog niet zo raar gedacht. Een duurzame luier ook nog.

Productieproces

Om het te maken heb je kennis nodig van het productieproces. „En als ik die kennis niet heb, zoek ik die op. Juist iemand als ik
moet voorbereid zijn, want anders ben ik natuurlijk al snel een luchtfietser. Ik werk daarnaast ook nog eens met niet-traditionele materialen. Neem de lisdodde, ik wilde daarover meer weten voor een idee. Ik kwam uiteindelijk bij een boer uit. Die zoektocht naar kennis is heel  belangrijk.”

Tjeerd Veenhoven doorloopt vanzelfsprekend een serie processen voor hij tot een product komt. „Over het algemeen is de eigen achtertuin het uitgangspunt.” Hij neemt dat breed, want de waddenkust behoort bijvoorbeeld ook tot die achtertuin. Daar ziet hij veel bruikbare biomaterialen en ook nog eens grote volumes. Hij laat stagiairs via internet onderzoek doen naar de materialen, waarbij historie en eigenschappen voorname elementen zijn. Er ontstaat zo een beeld van de mogelijkheden. Maar een van meest wezenlijke onderdelen van de methodiek is het zogenoemde backcasting, het tegenovergestelde van forecasting (voorspellen).

Backcasten

„We vragen ons af wat we met z’n allen zouden willen over vijftien jaar. Dat levert doorgaans bizarre ideeën op. Vervolgens ga je daarna terug in de tijd, het backcasten: wat hebben we nu nodig om het over vijftien jaar een gereedproduct te krijgen?” Het gaat in de persoonlijke filosofie van Veenhoven altijd om de vraag: waar willen we heen in de toekomst. „Dat is een traject met veel gaten en hiaten, maar je probeert die op te vullen zodat je een soort roadmap, routekaart, krijgt. Die roadmap biedt geen enkele garantie, het is een pad vol risico’s.” Lachend:
„Men knoopt je op als het niet uitkomt.”

Veenhoven kijkt in dat proces altijd weer naar de grondstoffen. Hij is een meester in het bedenken van nieuwe toepassingen voor oude materialen. „Maar die materialen worden steeds interessanter”, legt hij uit, „want door de huidige kennis en technieken kunnen we er veel meer mee dan honderd jaar geleden. Met klei kun je in de 3D­printer van alles. Veenmos is ook fantastisch materiaal. De waarde is nu anders dan toen, er liggen nieuwe mogelijkheden.”

Palmleer

Een mooi voorbeeld is palmleer. Dat zijn uitgedroogde palmbladeren, afval in zuidelijke landen. In een bad met onder meer glycerine veranderen de bladeren in een leerachtig materiaal dat op hout lijkt. Hij maakt er strandslippers en tassen van. Het moet ‘leuk en essentieel’ zijn, vindt Veenhoven. De waardeketen moet wel steeds voltooid worden: van grondstof tot eindproduct. „En daar houdt het voor mij op”, vertelt hij. „Bij palmleer heb ik alles zelf willen doen. Ik wilde ontwerper en verkoper zijn. Dat werkt niet. Het was een ervaring die me veel wijzer heeft gemaakt.”

Succesverhaal

Het verhaal van Veenhoven lijkt één groot succesverhaal. Maar lang niet alles lukt. En soms is het risico nog te groot voor hem. Zo wil een klant 40.000 palmleerschoenen. „Maar als er wat fout loopt, praat je over 40.000 maal 15 euro. Dat kan ik niet aan”, weet hij. Hij experimenteert nog volop. Met schimmels bijvoorbeeld die hij wil gebruiken als inkt in een printer. Maar er gaat ook regelmatig wat fout bij die experimenten. „Daar treur ik nooit om. Want dan was het niet goed genoeg of de tijd was nog niet rijp. Als het niet lukt, heeft het altijd een reden.”

Foto: Pepijn van den Broeke


Dit artikel verscheen op donderdag 16 november 2017 in ons magazine NoordZ. Magazine nabestellen?

Bouke Nielsen (Journalist)

Bouke Nielsen (Journalist)

Geplaatst op: 28 november 2017

[GA TERUG]

Geef uw reactie:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *