Nederlandse economie: Met ons gaat het goed, met mij gaat het slecht

Nederlandse economie: met ons gaat het goed, met mij gaat het slecht

Nederlandse economie: met ons gaat het goed, met mij gaat het slecht

Nederlanders zijn zeer positief over de economie, maar veel minder over hun eigen financiële situatie. Zelden was die kloof groter. Met reden: de lonen blijven al jaren flink achter bij de economische groei.

Jaren geleden, in 2004, omschreef Paul Schnabel, de vorige directeur van het Centraal Plan Bureau (CPB) treffend de klagerige aard van de Nederlander. Het was in een tijd dat we feitelijk weinig te zeuren hadden, maar dat toch deden. Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht: zo redeneerden we volgens Schnabel.

Nu, dertien jaar later, is de situatie precies andersom. Mensen zijn positief over de staat van de economie, de buitenwereld dus, maar juist negatief over hun eigen situatie. Dat blijkt uit cijfers over het consumentenvertrouwen die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onlangs naar buiten bracht. Ofwel: met ons gaat het goed, met mij gaat het slecht.

‘Thermometer’

Het consumentenvertrouwen, zoals het CBS dat meet, is een soort gevoelstemperatuur. Het geeft weer hoe mensen over de economie denken, en bestaat uit twee delen. Het ene deel is de beoordeling van het economische klimaat: vinden mensen dat het in het algemeen goed gaat met de economie? In augustus onderschreef een grote groep mensen die stelling, meer dan in de afgelopen decennia.

Het andere deel van de ‘thermometer’ meet hoe mensen tegen hun eigen financiële situatie aankijken. Zijn ze bereid grote aankopen te doen? Dit onderdeel kreeg in de meting van augustus een relatief lage score; weliswaar beter dan tijdens de crisis, maar nog steeds niet jubelend.

Sinds 1987, maar liefst 30 jaar geleden, liepen de cijfers niet zo ver uiteen. Blijkbaar is er iets bijzonders aan de hand. De economie groeit, hard zelfs, dit jaar met een duizelingwekkende 3,3 procent. Maar we voelen niet echt dat we ervan profiteren.

Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS, zegt dat dat niet alleen een gevoel is. ,,Het is een ontwikkeling die al jarenlang speelt. Sinds de eeuwwisseling is het bruto binnenlands product in Nederland met 12 procent gegroeid. Tegelijkertijd is het besteedbaar inkomen van de gemiddelde Nederlander met 3 procent gedaald.”

Scheefgroei

De verklaring voor deze scheefgroei is op zich eenvoudig. Een steeds groter deel van de economische koek verdwijnt in de monden van bedrijven en aandeelhouders; werknemers blijven op hun honger zitten. Er bestaat een officiële maatstaf om dat te meten: de arbeidsinkomensquote. Die meet hoeveel cent van elke euro die in het bedrijfsleven verdiend wordt bij werknemers terechtkomt. In 2013 was dat nog 78 cent, becijferde het CBS. Vorig jaar was dat gedaald naar 73 cent, een forse daling.

Over de oorzaak zijn de laatste jaren boeken vol geschreven, met als meest in het oog springende voorbeeld de dikke pil van de Franse econoom Thomas Piketty: Kapitaal in de 21ste eeuw. De geleerden zijn het niet overal over eens, maar de rode draad is dat aandeelhouders en multinationals steeds meer macht krijgen, en werknemers steeds minder.

Multinationals schuiven met winsten en bedrijfsonderdelen, op zoek naar de laagste arbeidskosten en het laagste belastingtarief, zegt ook Van Mulligen. ,,Nederlandse werknemers moeten daardoor concurreren met arbeiders in China. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor Nederland, je ziet de ontwikkeling in alle geïndustrialiseerde landen.”

‘Onbenut arbeidspotentieel’

Het lijkt een trend die zich maar moeizaam laat ombuigen, ondanks oproepen uit alle hoeken om er eens iets aan te doen. De vakbonden natuurlijk, maar ook instanties als het Internationaal Monetair Fonds en De Nederlandsche Bank vinden de achterblijvende loonontwikkeling niet gezond voor de economie. Tot nu toe gebeurt er echter weinig.

Verschillende economen wijten ons statische salaris aan iets anders, namelijk aan de grote poel met ‘onbenut arbeidspotentieel’: mensen die wel willen of kunnen werken, maar die dat om welke reden dan ook niet doen. Zieken bijvoorbeeld, mantelzorgers. Of mensen die in deeltijd werken, en graag meer uren zouden maken. Gisteren maakte het CBS bekend dat het in Nederland om liefst 1,3 miljoen mensen gaat.

Zij hebben geen sterke onderhandelingspositie als ze weer aan de slag gaan. Als extra werk bij hen terechtkomt, zal het gemiddeld loon niet snel stijgen, is de theorie. Van Mulligen betwijfelt of dat de oorzaak is voor de achterblijvende salarissen. ,,Dat er onbenut arbeidspotentieel is, is geen nieuw gegeven. Dat was tien of twintig jaar geleden ook zo. Ook toen werkten veel mensen in deeltijd. Het lijkt me niet logisch dat dit er nu ineens voor zorgt dat de salarissen niet stijgen.”

Vakbonden

Als er niks verandert: wie grijpt er dan in? De politiek, ben je geneigd te zeggen, maar politici hebben over salarissen weinig te zeggen. In Nederland worden de lonen aan de CAO-tafel vastgesteld. Het zal dus van de steeds zwakkere vakbond moeten komen. DNB-directeur Klaas Knot stelde dit voorjaar dat de bonden er best wat steviger in mogen kleunen. ,,De inzet van de bonden zou wel wat meer gericht mogen zijn op loonstijgingen, in plaats van op heel veel kleinere dingen.”

Geplaatst op: 4 september 2017

[GA TERUG]

Geef uw reactie:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *